Er is een gesprek dat ik steeds opnieuw voer.

Iemand vraagt of we ook met “echte software” werken — bedoeld worden propriëtaire producten van grote leveranciers. De vraag heeft altijd dezelfde ondertoon: open source is voor knutselaars, idealisten, mensen met veel tijd en weinig geld.

Ik ben het er vriendelijk mee oneens. En dan leg ik uit wat er werkelijk aan de hand is.

Het misverstand over kwaliteit

Het meest voorkomende misverstand is dat kwaliteit en openheid elkaar uitsluiten. Wie betaalt, krijgt betere software. Wie het gratis krijgt, krijgt minder.

Laten we kijken naar het fundament van het moderne internet. De webservers die vandaag wereldwijd miljarden verzoeken beantwoorden — nginx, Apache — zijn open source. Het besturingssysteem dat op het overgrote deel van alle servers ter wereld draait — Linux — is open source. De databases waarop banken, ziekenhuizen en overheidsinstanties hun meest kritieke gegevens opslaan — PostgreSQL, MariaDB — zijn open source.

Dat is geen idealisme. Dat is de ruggengraat van de digitale wereld.


Vrije software is niet het resultaat van een houding. Het is het resultaat van een beslissing die zich dagelijks bewijst in productiebeschikbaarheid, stabiliteit en onderhoudbaarheid.

Dat is altijd zo geweest. Het wordt alleen soms een beetje vergeten.